woensdag 5 augustus 2026

Sociale Driegeleding brug naar maatschappelijke transformatie

Publicatie in Tijdschrift sfinx Jaargang 93/1.

Eerste publicatie op dit weblog in mei 2008



Sociale driegeleding
-een brug naar maatschappelijke transformatie 

In dit blad Sfinx wordt veelvuldig gewag gemaakt van ervaringen in het kader van zelfbezinning en zelfverwerkelijking. Dit proces van persoonlijke transformatie is zinvol en nodig, maar waar het mij uiteindelijk om gaat is of we daarmee ook sociaal en maatschappelijk transformeren.
Een zelfbezinning, die mogelijk leidt tot een hernieuwd zelfbesef, kan betekenen: een nieuwe of eerlijker manier van met elkaar omgaan.
Tegelijkertijd echter heb ik het gevoel dat het ook nodig is om op zoek te gaan naar nieuwe vormen in termen van structuren of verbanden, die dienstbaar kunnen zijn om het proces van sociale en maatschappelijke transformatie te bevorderen.

In deze bijdrage wil ik daar wat gezichtspunten en ervaringen voor aandragen.

Maatschappelijke waarden
De fundamenten van ons huidige democratische bestel zijn van oorspong de idealen uit de Franse Revolutie: Liberté, Egalité en Fraternité. Deze begrippen zijn uitgegroeid tot de belangrijkste maatschappelijke waarden vrijheid, gelijkheid en broederschap, of solidariteit, die ook ten dele verankerd liggen in de grondwet. Zo kennen we bijvoorbeeld de vrijheid van godsdienst, vereniging en meningsuiting.
 Toch is er iets bijzonders met deze waarden aan de hand. Tot het uiterste doorgeredeneerd sluiten deze drie elkaar uit. 
Wanneer je de vrijheid als het leidende principe neemt, dan dreigt in een samenleving de ongelijkheid groter te worden, mede als gevolg van een toenemend egoïsme. 
Als je de gelijkheid voorop stelt en consequent als uitgangspunt van (overheids-)handelen neemt, dan leidt dit onherroepelijk tot een aantasting van de vrijheid.
Vrijheid, gelijkheid en solidariteit lijken aan elkaar tegengesteld en mogen daarom niet verabsoluteerd worden voor het gehele maatschappelijke gebeuren. Op de een of andere manier dienen ze elkaar in evenwicht te houden, maar hoe?

Sociale Driegeleding
Volgens Rudolf Steiner* horen deze drie waarden thuis in drie verschillende gebieden van het sociale of maatschappelijke leven. Gebieden die we wel kunnen onderscheiden binnen het geheel, maar niet kunnen scheiden.
 Daar gebruikte hij dan ook de term sociale driegeleding (en niet driedeling) voor. Zo onderscheidt hij het rechtsleven, het geestelijk- culturele leven en het economische leven als drie verschillende werkingsgebieden of geledingen in de maatschappij. In deze verschillende gebieden horen deze drie fundamentele waarden thuis en wel zo dat in het rechtsleven het gelijkheidsbeginsel uitgangspunt moet zijn.

Voor het huidige recht is het ook zo dat iedereen 'gelijk' is, - ongeacht afkomst, rang of stand. Deze verworvenheid maakte een eind aan wat vroeger bekend stond als klassenjustitie. Tot het rechtsleven behoren niet alleen de rechtspraak, maar ook de overheid die de publieke belangen behartigt.
Het principe van de vrijheid hoort bij uitstek thuis in het geestelijke of culturele leven, waarbij we moeten denken aan kunst, religie, onderwijs, wetenschap en gezondheidszorg. In dit gebied zou de mens maximale vrijheid moeten hebben om zich te kunnen ontplooien naar aard, aanleg en capaciteiten.
Wat overblijft is dan het economische leven, d.w.z. dat terrein van het maatschappelijk leven waar het gaat om de voortbrenging en verhandeling van goederen en/of het leveren van diensten. Op dit terrein zou de solidariteit het leidend beginsel moeten zijn. Dit lijkt in eerste instantie misschien vreemd, maar als we kijken waar de economie eigenlijk toe dient, dan is dit solidariteitsbeginsel heel begrijpelijk.
Door economisch actief te zijn brengen we producten voort of leveren we diensten, waarmee we in de behoeften van anderen kunnen voorzien. Dat is het principe van solidariteit, opgevat als 'werken voor onze medemens'. Je zou ook aan dit begrip het christelijke beginsel van naastenliefde kunnen koppelen. Wat misschien toch twijfels oproept is het feit dat we het economische verkeer ook associëren met winst maken en zelfverrijking. Dat strookt niet met het idee van solidariteit. Maar naar mijn mening is die zelfverrijking alleen het gevolg van misbruik; dat maakt het principe van solidariteit nog niet ongeldig.

Assoclaties
Ook om andere reden kun je zeggen dat het economische verkeer nog niet optimaal functioneert vanuit het principe van solidariteit. Nu is het nog zo dat grote belangengroepen buitengesloten zijn van de besluitvorming over economische ontwikkeling. Met name consumenten zijn niet actief betrokken in economische keuze- en afwegingsprocessen. Het gevolg hiervan is een zekere mate van econo­mische verspilling en overcapaciteit.
Steiner** pleit dan ook voor associaties van producenten, handelaren en consumenten die gezamenlijk besluiten nemen. Juist vanwege de verschillende belangen die iedere partij hierbij heeft is het noodzakelijk deze bij elkaar te brengen om zo een optimale economische ontwikkeling te realiseren. Sommigen zouden kunnen beweren dat producenten en handelaren in ons huidige vrije marktsysteem wel degelijk rekening houden met de belangen van de consumenten, bijvoorbeeld via marktonderzoeken. Toch is dat een omkering van de zaak, want eerst bedenkt of ontwikkelt een bedrijf een product en vervolgens wordt gekeken hoe dit 'afgezet' kan worden. Het gaat hierbij veelal om kunstmatig gecreëerde in plaats van authentieke behoeften. Wie heeft er gevraagd om (behoefte aan) milieubedreigende producten, ongezonde voedingssupplementen en onnodige verpakkingen die alleen maar 'meer inhoud' suggereren? Niemand..., inderdaad. Alleen de eindgebruiker en consument kent zijn eigen behoeften en dat zou het vertrekpunt moeten zijn, waarna producenten hun kennis en inzicht kunnen inbrengen om een dergelijk product te maken en vervolgens de handel ingeschakeld wordt om het product op de juiste plaats en in de juiste hoeveelheid bij de afnemer te brengen. Er is veel onnodige concurrentie - die ook verschillend werkt - om de consumenten te veroveren. Direct overleg en goede afspraken zoals in de 'associatievorm' bepleit, maken dit overbodig. Om misverstanden te voorkomen wil ik erop wijzen dat ik geen voorstander ben van een strak geleide planeconomie, zoals die in China en in de voormalige Sovjet-Unie bestond. Daar is het de overheid die voorschrijft hoeveel schoenen en kleding er gemaakt moeten worden, waarmee ook ieders persoonlijke behoeftevervulling gemanipuleerd wordt. Het klinkt misschien raar, maar ook in hun behoeften zijn mensen heel verschillend.

Samenhang en evenwicht
Helaas is er in onze tijd weinig bewustzijn voor de zinnigheid van dit driegeledingsmodel, waardoor het noodzakelijke evenwicht niet wordt bereikt. Zo kan het gebeuren dat economische belangen en waarden ook hun invloed krijgen in een gebied waar ze niet thuishoren, zoals in het geestesleven, of wanneer het gelijkheidsprincipe van het rechtsleven oneigenlijk binnendringt in het economische leven, of het geestesleven. Daarvan zijn legio voorbeelden te geven. Je kunt denken aan de aantasting van de vrijheid van onderwijs wanneer economische krachten invloed gaan uitoefenen op de inrichting van het onderwijs, of wanneer de overheid met haar wetgeving de inhoud van het onderwijs gaat voorschrijven. 
Deze processen vinden op dit moment al plaats en weinigen zien hierin een sluipend gevaar. lets soortgelijks doet zich voor als de media in handen komen van economische belangengroeperingen, die de redactievrijheid aantasten en media gebruiken als reclamekanalen; of als de overheid censuur uitoefent op de berichtgeving.
Het gaat om het juiste evenwicht tussen de drie maatschappelijke geledingen, dat ook wordt verstoord wanneer er een deling optreedt. Om dat te kunnen begrijpen is het nodig oog te hebben voor de samenhang tussen deze drie gebieden. Zoals al eerder is aangegeven behoren onderwijs en wetenschap tot het geestelijk-culturele leven, waar de vrijheid het 'leitmotiv' zou moeten zijn. De 'eindproducten' van scholing en onderzoek zijn geschoolde mensen en kennisproducten, of fundamentele ontdekkingen. De vruchten van het geestesleven zijn van grote betekenis als ze in het economische verkeer worden gebracht. Het economisch leven 'maakt' geld met de verworvenheden van het geestelijke leven. Daarvoor in ruil zou het economische leven dus geld moeten afdragen om het geestelijke leven gezond te houden, maar zo dat 'belangen' erbuiten blijven. 
De kringloop is pas gesloten als het bedrijfsleven het onderwijs en de wetenschap (denk ook aan research en development) financiert - maar dan alleen in de vorm van vrije schenkingen, dus zonder tegenprestaties. Dat gebeurt nu ook al via door de overheid opgelegde belastingen, maar veel te weinig (denk aan de oneigenlijke zelfverrijking) en bovendien ook niet rechtstreeks. Dat laatste heeft als gevolg dat juist dan ook de gelijkheidsprincipes meespelen in de verdeling van de middelen over het geestesleven. 'Gelijke monniken, gelijke kappen', geldt immers wel in het rechtsleven, maar niet in het geestesleven. Een bloeiend geestesleven ontstaat juist dankzij een grote diversiteit en verscheidenheid en een streven naar voortdurende veranderingen.
Gelukkig zijn er voorbeelden van bedrijven die dit intuïtief al doen. 

Zo is er het voorbeeld van het Nederlandse bedrijf 'Van Leer Industries' dat zich bezighoudt met industriële verpakkingen, zoals vaten, en een vast deel van de winst schenkt aan een stichting die daarmee onderwijsactiviteiten financiert.
Ook de cosmeticaketen 'Body Shop' (opgericht in Groot-Brittannië door Anita Roddick) en de Amerikaanse keten van ijscowinkels 'Ben & Jerry's Homemade' zijn voorlopers op dit gebied.
Er is pas sprake van evenwicht als het rechtsleven (c.q. de overheid) d.m.v. wetgeving de maatschappelijke gebieden van geestesleven en het economische leven beschermt tegen oneigenlijke inmenging of vermenging, zodat elk zich naar eigen aard en volgens bijbehorende principes gezond kan ontwikkelen. Daarnaast moet zij erover waken dat er wel een geldkringloop tussen de economie en het geestesleven ontstaat, zonder dat dit gepaard gaat met belangenvermenging. Het geestesleven heeft recht om zich 'vrij' te ontwikkelen, los van de overheid en het economische krachtenveld, net zo goed als het economische leven het recht heeft om zich indachtig het solidariteitsprincipe te ontwikkelen. Dat betekent geen oneigenlijke gelijkheid bij economische behoeften (zoals het voorbeeld van de uniforme kledij in China ten tijden van wijlen Mao), maar ook niet 'vrij' om de markt te domineren en uit te buiten.

Groot of klein?
Deze sociale driegeleding is op allerlei niveaus te onderscheiden. Niet alleen op het niveau van de hele maatschappij. ledere organisatie heeft te maken met vraagstukken van alle drie de gebieden. Je kunt denken aan rechtsprincipes als het gaat om besluitvorming, aan economische afwegingen als het gaat om be­hoeften en producten, of aan een geestesleven in de vorm van vragen van ethische, religieuze of principiële aard.
Brüll *** heeft daarom de idee gelanceerd om ook in organisaties en instellingen te beginnen met sociale driegeleding door het instellen van drie organen voor de bijbehorende vraagstukken.
Zo zou iedere organisatie een rechtsorgaan, een economisch orgaan en een orgaan voor geestelijke, culturele vraagstukken moeten hebben. De kunst (of de leerweg die we vervolgens moeten gaan) is dan de verschillende vragen, problemen die in een organisatie voorkomen in de juiste kring voor te leggen en te bespreken, volgens de daar geldende principes.

Praktische ervaring
Zelf heb ik als bestuurslid van een Vrije School met een Onderbouw enige jaren geprobeerd om vanuit de ideeën van de sociale driegeleding te werken. Om daarvan een aantal ervaringen weer te geven is het nodig een beeld te hebben van de organisatie. Daarbij is het belangrijk te vermelden dat het college van leerkrachten, vanwege het feit dat het een school is en dus behoort tot het geestesleven, het belangrijkste orgaan (van het geestesleven in dit geval) is en ten aanzien van de te nemen beslissingen een vetorecht heeft. Als orgaan bewaakt zij de pedagogische en didactische uitgangspunten en maakt zij dienovereenkomstig haar beleid voor de school. Zij is daarin ook maximaal 'vrij' en zou daarin ook niet gehinderd mogen worden door de overheid of de inspraak van ouders. Hetzelfde geldt echter voor een individuele leerkracht die vrij moet zijn om les te geven naar eigen inzicht en opvattingen. Natuurlijk heb je als leerkracht wel een aantal uitgangspunten en waarden gemeenschappelijk met de school. Niet voor niets kiest iemand ervoor juist op zo'n school te werken. En de school trekt ook juist mensen aan met een zekere geestverwantschap.

Bestuur
Als Stichting en in het kader van de subsidiëring heeft een school ook een Bestuur, dat formeel naar de overheid toe de eindverantwoording heeft en ook aanspreekbaar is voor bijvoorbeeld de onderwijsinspectie. Het Bestuur is op te vatten als het rechtsorgaan binnen de school, waar uiteindelijk de besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen. Een probleem daarbij is dat het bestuur formeel ook de financiële zaken in haar portefeuille heeft, via de penningmeester. Vanuit het gedachtegoed van de sociale driegeleding is het echter wenselijk deze economische functie te scheiden of los te weken uit het bestuur, bijvoorbeeld via het instellen van een financiële werkgroep. In het bestuur, of de kring waar de besluitvorming plaatsvindt, worden dus pedagogische en economische belangen uiteindelijk meegenomen nadat ze in de betreffende organen zijn voorbesproken en voorzien zijn van adviezen.
Binnen deze school schortte het vooral aan een rechtsbewustzijn, of om precies te zijn: aan vastgelegde regels, procedures en statuten. Onder het motto 'vrijheid - blijheid' hadden vooral de leerkrachten een weerstand tegen vastgelegde en beargumenteerde afspraken of algemeen geldende principes. 
Het ontbreken van regels en schriftelijke afspraken schept echter onzekerheid en vooral onduidelijkheid en kan uiteindelijk zelfs leiden tot willekeur; vandaag zo en morgen weer anders. Terwijl het vastleggen in procedures juist in dit geval de pedagogische vrijheid beschermt, en tegelijkertijd tegemoetkomt aan rechtsprincipes als gelijke behandeling.
Bij belangrijke zaken binnen de school zitten ook rechtsvragen zoals: welke criteria?, welke procedures? wie neemt de besluiten? hoe verloopt de informatie of communicatie? Denk aan het aannamebeleid (van leerkrachten en kinderen); schoolrijpheid (welke kinderen uit de kleuterklas zijn klaar voor de onderbouw?); het splitsen of juist combineren van groepen; klachten; redactiewerk voor het schoolblad; de vertegenwoordiging van ouders.
Er bestond natuurlijk wel een zekere gewoontevorming, die echter nergens vastgelegd en dus sterk persoons- en situatiegebonden was.
Mocht iemand misschien denken dat ik een voorstander ben van een rigide bureaucratische schoolorganisatie waar formulieren in vijfvoud rondgaan, dan moet ik die persoon teleurstellen. Waar het om gaat is dat in een organisatie waar een tiental leerkrachten en een honderdtal ouders rondlopen juist helderheid en inzichtelijkheid moet bestaan ten aanzien van belangrijke en terugkerende onderwerpen en dan ontkom je niet aan enige vastlegging op papier. En er ontstaat pas een collectief leerproces als deze regels of procedures ook nageleefd worden en uiteraard indien nodig worden bijgesteld. Aangezien procedures niet alleen duidelijkheid, maar vooral ook (rechts)bescherming voor alle betrokkenen bieden, is er in drie jaar tijd vanuit het bestuur aan al deze zaken gewerkt.
Er zijn redactie- en ouderraadstatuten opgesteld, er is een klachtenprocedure ontworpen en ingevoerd, een procedure voor het aannemen van kinderen en ook een voor de gang van zaken rondom schoolrijpheid. 
Dat waren soms moeilijke discussies en er was vooral veel geduld en volharding nodig om ze tot een goed einde te brengen, maar het bracht uiteindelijk rust en tevredenheid. Ten aanzien van zaken die te maken hadden met ontwikkelingen of veranderingen voor het komend schooljaar (wel of niet combineren van klassen, wel of niet uitbreiden met een derde kleuterklas), die de hele school betroffen, werd gekozen voor een brede besluitvormingsprocedure.
Daarbij werden meerdere open avonden belegd voor alle betrokkenen (leerkrachten, ouders en bestuursleden) om te komen tot een duidelijke beeld-, menings- en uiteindelijke besluitvorming. Het voordeel hiervan is dat alle relevante informatie en de verschillende gezichtspunten op tafel komen, zo wordt het draagvlak en de acceptatie voor de te nemen beslissing vergroot, zonder dat de pedagogische vrijheid wordt aangetast.

Individu en gemeenschap
Mij heeft dit alles gesterkt in de mening dat sociale driegeleding niet alleen een interessante theorie is, maar vooral ook praktisch nuttig. Zij is een bruikbaar instrument als het gaat om sociale en maatschappelijke transformatie waarbij individuele kwaliteiten, rechten en behoeften op de juiste plaats werkzaam zijn in het sociale verkeer, want het kernthema van dit verhaal was: 'Hoe kan zelfbezinning en zelfverwerkelijking ook maatschappelijk vruchtbaar zijn?'
Zelf heb ik veel geleerd van het werken met dit model voor sociale driegeleding. Voor mij fungeerde het als een 'bril' om niet alleen naar de maatschappij en naar organisaties te kijken, maar ook naar mijn eigen rol in het geheel. Het driegeledingsmodel blijkt een toepasbaar hulpmiddel om je als individu optimaal te kunnen inzetten in de gemeenschap waarvan je deel uitmaakt.
Het is heel inspirerend om te merken dat zo'n theoretisch model in de praktijk werkt, dat het aansluit bij ervaring. Het overleg werd werkelijk productief voor de organisatie als geheel, en wij konden als betrokkenen daarin het gevoel krijgen dat we daadwerkelijk gestalte gaven aan de waarden van vrijheid, gelijkheid en solidariteit.

* Kernpunten van het sociale vraagstuk, door Rudolf Sterner. Uitgave: Vrij Geestesleven.
** De noodzaak van associates in het economisch leven, door Rudolf Steiner. Uitgave: Christofoor.
*** De sociale impuls van de Anthroposofie, door Dieter Brüll. Uitgave: Christofoor.

zaterdag 14 december 2013

Dialoog van Sociale Driegeleders in Barchem




Dit artikel is voor het eerst verschenen op dit weblog op 14 december 2013













Nederlands-Duits Driegeledersweekend.

Eind mei en begin juni van dit jaar vond een ontmoeting plaats in het oosten van het land om precies te zijn in Barchem in een Woodbrookers accommodatie. Daar ontmoetten jonge driegeleders uit beide landen elkaar om hun contacten te versterken en hun inzichten te verdiepen. Het is de derde keer dat een dergelijke ontmoeting is georganiseerd door Martijn Mullink.









Foto: Inleiding van het weekend door Martijn Mullink.

Spreekbeurt Jac Hielema


























Vanuit Nederland waren John Hogervorst, Jac Hielema en ondergetekende aanwezig. De eerst genoemde beide heren hielden ook ieder een spreekbeurt.
Vanuit Cottbus (bij Berlijn) waren Thomas Brunner en Clara Steinkellner (zijn levenspartner) aanwezig. Daarnaast waren ook aanwezig Ralf Gleide en Jens Göken. De organisatie was in handen van de uit Nederland afkomstige Martijn Mullink die al jaren geleden verhuist is naar Cottbus in Duitsland en daar als kinderpsycholoog actief is.


Spreekbeurt John Hogervorst












































Thomas Brunner en zijn partner Clara hebben in Cottbus een “Freie Bildungstiftung” opgezet om het Vrije geestesleven nieuwe impulsen te geven. Jaarlijks organiseren zij tijdens de zomervakantie een week lang een “Freie Sommeruniversität” waar politieke, filosofische lezingen afgewisseld worden met toneel- , euritmie- en muziekuitvoeringen.
Daarnaast hebben ze ook een eigen uitgeverij opgezet met de naam “Edition Immanente”. Zie ook recente publicaties http://www.edition-immanente.de/

John Hogervorst, hoofdredacteur van het Tijdschrift Driegonaal en van uitgeverij Nearchus in Assen begon het studieweekend met het thema: " Mens en crisis, sociale driegeleding als antwoord van het ik ".
Meer informatie over het tijdschrift is te vinden op http://www.driegonaal.nl/ en http://www.nearchus.nl/actueel/1181-inkomensverdeling/
Daarna volgde op zaterdag Jac Hielema met zijn lezing “De Christologische grondslag van de sociale driegeleding”. Jac sprak zeer gemakkelijk Duits omdat hij in zijn puberteit ook in Oost-Duitsland op school heeft gezeten. Hij is mede-oprichter geweest van de website en digitale krant de Aardespiegel.
Na de twee Nederlandse inleidingen, die ook grotendeels in het Duits gegeven werd, volgde Thomas Brunner met “Vrij Geestesleven als orgaan van het kapitaalbeheer”. Clara Steinkellner nam de slotlezing voor haar rekening over Menschenbildung



Twee verschillende volkszielen zetten zich duidelijk verschillend uiteen met een thema als sociale driegeleding, maar daarom is een rechtstreekse ontmoeting en dialoog heel bijzonder.






















foto: Een groepje vooral Nederlandse toehoorders.


Tussen de lezingen door werd er ook druk gediscussieerd.



















De auteur voor de Humboldt Universität in Berlin en was ooit het voorbeeld van een vrij geestesleven.

maandag 19 september 2011

Einde Sociale Driegeleding

Dit artikel is voor het eerst verschenen op dit weblog op 19 september 2011



Sociale Driegeleding wordt Maatschappelijke Driegeleding


Hieronder volgt een citaat uit de digitale nieuwsbrief van de Werkgemeenschap voor Sociale Driegeleding van September/Oktober:

“Tijdens de jaarvergadering van de Werkgemeenschap
in juni j.l. is op initiatief van Rob Hesper voorgesteld de
term ‟sociale driegeleding‟ niet meer te hanteren. Daar-
voor in de plaats zou ‟maatschappelijke driegeleding‟ de
lading veel beter dekken. “En dan word je ook begre-
pen”, beargumenteerde Rob Hesper. Door de aanwezi-
ge leden is – na een uitvoerig gesprek – zijn voorstel
aangenomen. Dit heeft ook consequenties voor de
naam van de Werkgemeenschap, zoals in de kop hier-
boven tot uitdrukking is gebracht: Werkgemeenschap
voor maatschappelijke driegeleding
.”

Als reactie heb ik de mandaatgroep meteen laten weten dat ik heel tevreden ben met deze naamswijziging die ik ook al in mijn boekje “Trias Politica Ethica “ heb voorgesteld en consequent heb gebruikt. Naar mijn mening is de term sociale driegeleding inderdaad een germanisme en roept onnodig veel misverstanden op.

De consequentie hiervan is dat ik op dit weblog verder geen artikelen meer zal plaatsen en graag doorverwijs naar mijn andere weblog maatschappelijke driegeleding zie http://driegeleding.blogspot.com/

woensdag 10 augustus 2011

Nieuw boekje over Sociale Driegeleding

 Dit artikel is voor het eerst verschenen op dit weblog op 10 augustus 2011








“Vrij, Gelijk en Samen: op weg naar een betere wereld”
een boekbespreking


Met deze titel is deze zomer een boekje verschenen bij Uitgeverij Nearchus waarin twee vertaalde lezingen zijn opgenomen van Rudolf Steiner uit 1920 (Zürich) en 1922 (Wenen) over zijn maatschappijvisie de Sociale Driegeleding.
De titel van de eerste lezing luidt dan ook Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap waarmee niet alleen de idealen van de Franse Revolutie werden bedoeld maar ook de kernwaarden die volgens Rudolf Steiner leidend zouden moeten zijn in het Geestesleven (Onderwijs, Wetenschap, Kunst en Cultuur), het Rechtsleven (democratie en rechtspraak) en het Economisch leven.

De eerste lezing begint met het maken van een onderscheid tussen maatschappijprogramma’s en utopieën. Steiner waarschuwt voor de veelvuldig in zijn tijd voorkomende sociale programma’s gebaseerd op idealen, die echter feitelijk een utopie (een illlusie of een volmaakte toestand die niet te bereiken is) zijn. Hij doelde daarmee op het Leninistische Marxisme dat de basis legde voor de Russische Revolutie in 1917. De Staatsgeleide economie en het communisme hebben niet tot de beloofde verbeteringen geleid en stortte in de jaren 90 van de vorige eeuw totaal in. Steiner heeft op meer plaatsen aangegeven dat zijn idee van de sociale driegeleding het alternatief moest zijn voor het 14-puntenplan van de Amerikaanse President Wilson. Deze wilde na WOI aan alle volkeren een zelfbeschikkingsrecht geven, maar bleek praktisch onuitvoerbaar en juist aanleiding te worden voor wereldwijde onlusten en oorlogen. “Het principe van één volk, één staat is de splijtzwam waarlangs onderdrukking, opstand, dictatuur en etnische zuivering zich een weg banen”. Het programma van Wilson is feitelijk een utopie gebleken, net als het kapitalisme zoals Hans Achterhuis recent in zijn boek “De utopie van de vrije markt” heeft aangetoond. Lees ook het nieuwe boek van Maarten van Rossem: Kapitalisme zonder grenzen: opkomst en ondergang van het marktfundamentalisme”.

Het communisme, marxisme en het kapitalisme of neoliberalisme zijn utopieën die met hun abstracte idealen feitelijk destructief werken in de samenleving.
De sociale driegeleding is daarentegen bedoeld als een concrete en realistische maatschappijvisie die aansluiten bij de eeuwenoude ontwikkelde historische Europese waarden en ze een “rechtmatige” plaats geeft in de samenleving.
We zullen,zo zegt R.Steiner, ooit inzien dat deze maatschappijvisie de enig juiste en noodzakelijke is voor de ontwikkelde westerse samenleving.
De maatschappelijke driegeleding is geen utopie en ook geen sociaal programma. Het geeft alleen “een speciale manier aan waarop mensen in de samenleving kunnen samenwerken”.
De mensen zelf zullen deze manier samen moeten realiseren zodat het een praktische werkelijkheid kan worden.

Aan het einde van de 2e lezing zegt Steiner letterlijk dat zijn maatschappijvisie juist het zelfbeschikkingsrecht bij het individu wil leggen. Het individu dat in de samenleving zijn rechtmatige rol kan vervullen als mondige democratische burger met stemrecht in een democratie, als vrij individu die zich volledig kan ontplooien in het geestesleven en als verantwoorde medewerker en ondernemer die een bijdrage levert aan het ontwikkelen van een solidaire economie.

In twee kleine hoofdstukken aan het einde van het boekje beschrijft John Hogervorst allereerst de historische context waarin R.Steiner zijn ideeën presenteerde en in het laatste hoofdstuk geeft hij in het kort weer hoe R.Steiner in 3 jaar tijd geprobeerd heeft deze ideeën bij de juiste personen te introduceren in de hoop dat zij het concept zouden omarmen en invoeren.
R.Steiner kwam voor het eerst in 1917 met zijn maatschappijvisie naar buiten, dus nog tijdens de Eerste Wereldoorlog en in het zelfde jaar als de Russische Oktoberrevolutie.

De eerste basisgedachten waarvan R.Steiner zelf zei dat hij er ruim 20 jaar over had nagedacht, werden gepresenteerd in twee zogenaamde Memoranda op verzoek van hooggeplaatste personen en waren bestemd voor het Duitse en Oostenrijks-Hongaarse Hof.
Zo komt R.Steiner in 1918 in contact met prins Max von Baden die later op 3 oktober 1918 rijkskanselier van Duitsland wordt. Met hem bespreekt hij uitgebreid de Memoranda waarin het idee van de Sociale Driegeleding uiteen wordt gezet. Van Baden is onder de indruk maar bij de eerste redevoering als Rijkskanselier blijkt dat hij het niet heeft overgenomen. Ruim een jaar later moet von Baden als Rijkskanselier alweer aftreden net als de Duitse keizer als gevolg van een revolutie in Berlijn. In dat jaar werden ook Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg (Marxistische leiders) vermoord. De partijen die voor een parlementair- democratische republiek kiezen in januari 1919 behalen een meerderheid en vormen een nieuwe nationale regering. Eind april 1919 verschijnt het boekje van R.Steiner “Kernpunten van het sociale (lees maatschappelijke) vraagstuk” waarin hij een uitwerking geeft van zijn maatschappijvisie. Hij verblijft tot augustus in Zuid- Duitsland en geeft daar veel voordrachten en discussieavonden over de sociale driegeleding. Er worden tienduizenden exemplaren verkocht van het boekje. Er wordt een Bond voor Sociale Driegeleding opgezet met een eigen tijdschrift dat wekelijks verschijnt en duizenden abonnees heeft. In 1919 verschijnt ook de eerste Engelse vertaling van het boekje.

Na het eerste brede enthousiasme ontstond echter steeds meer tegenwerking van conservatieve politici en vanuit de socialistische beweging. Eind 1919 realiseert R.Steiner zich dat het niet gelukt is voldoende draagvlak te verwerven voor zijn maatschappij ideeën en gaat hij zich intensief bezig houden met de oprichting van een nieuwe onderwijssoort, de Waldorfschule, die in Nederland als Vrije Scholen bekend zijn geworden. Hij hoopte dat via die weg de sociale driegeleding ooit gerealiseerd zou worden. Eind 1919 schrijft hij aan een bekende “dat het niet gelukt is omdat de mensen deze nieuwe gedachten nog niet kunnen opnemen. Kennelijk moet de nood eerst nog groter worden voordat de kiem van de sociale driegeleding zal opgroeien”. Een ding is echter zeker: zonder sociale driegeleding gaat het niet!”.

Zou de wereldwijde economische en financiële crisis van 2008 (dus 91 jaar na het lanceren van de sociale driegeleding) een nieuwe kans zijn? Steeds meer politici en wetenschappers onderschrijven het utopische karakter van het huidige neoliberalisme die de samenleving grote schade heeft toegebracht. We hebben behoefte aan een nieuwe maatschappijvisie voorbij communisme en kapitalisme en dat is de maatschappelijke driegeleding!

woensdag 6 juli 2011

Neoliberalisme voorgoed onderuit.


Dit artikel is voor het eerst verschenen op dit weblog op 7 juli 2011


Onderstaand artikel is ook gepubliceerd in het tijdschrift Apokalyps Nu, Herfst 2011



“Kapitalisme zonder remmen” van Maarten van Rossem
een boekbespreking.



In een prettig leesbaar boekje van ruim honderd bladzijden beschrijft van Rossem een korte historie van de ontwikkelingen in de Amerikaanse politiek en de financiële sector die bijgedragen hebben aan de huidige economische crisis. Als historicus doet hij dat met grote nauwkeurigheid waarbij hij de kern van het financiële en economische wereldje blootlegt alsof het gewoon een geschiedenisles is. Hij heeft zich goed verdiept in de innovatieve financiële producten zoals de credit default swaps (cds) en collateralized debt obligations(cdo) en weet die beter uit te leggen dan menig econoom zou kunnen. Deze producten hebben de crisis veroorzaakt en werden daarom door de succesvolle belegger Warren Buffett ook wel financiële massavernietigingswapens genoemd.
Van Rossem maakt echter ook duidelijk dat door de deregulering van de Amerikaanse overheid de financiële wereld bijna de volledige vrijheid had . Verder heeft het toezicht van de Fed maar ook dat van de kredietbeoordelaars zoals Standard & Poor en Moody volledig gefaald .

De auteur is bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht en gespecialiseerd in de moderne Amerikaanse geschiedenis. Daardoor lijkt hij beter dan een politicus of econoom in staat om een volledig historisch beeld te schetsen van het complexe Amerikaanse politieke systeem.
Zo legt hij bijvoorbeeld uit dat de Amerikaanse Senaat bestaat uit 100 leden, waarbij iedere staat met twee leden vertegenwoordigd is. Daarbij hebben dunbevolkte staten dus meer zeggenschap als dichtbevolkte staten. In het uiterste geval leidt dat ertoe dat 17% van de bevolking, afkomstig uit plattelandsstaten een meerderheid in de Senaat kan kiezen.
Daar komt bij dat in de praktijk pas besluiten genomen worden als 60% van de Senaatsleden voor stemt. Bij een kleinere meerderheid is men bang voor eindeloos gedebatteer. Zo kan een kleine partij als de kringen rondom de Teaparty en de conservatieve republikein Sarah Palin, die op minder dan 20% steun van de bevolking kan rekenen, toch de meerderheid als het ware gijzelen. Van Rossem gelooft daarom niet dat de juiste lessen uit eerdere crises zijn getrokken en dat de Amerikaanse politiek de noodzakelijke besluiten zal nemen om dit in de toekomst te voorkomen. Er zullen helaas dus nog meerdere financiële en economische crises volgen.
De volksvertegenwoordiging, zo laat de geschiedenis zien, stemt wel vlot voor belastingverlaging maar vrijwel nooit voor belastingverhoging. Al noemt van Rossem dat niet maar uit een recent overzicht van de NRC is ook gebleken dat de Senaat vrijwel geheel uit miljonairs en miljardairs bestaat. Die houden het geld liever zelf dan het af te staan aan de overheid.

Van Rossem komt ook met een verrassende analyse waaruit blijkt dat Democraten niet per se links zijn (en voor een sterkere overheid) en Republikeinen rechts zijn (en voor een kleinere overheid).Zo blijkt dat de democratische presidenten Carter en later ook Clinton meerdere wetten hebben ondertekend die de deregulering van de financiële markten versterkte. Het waren dus niet alleen Reagan and Thatcher als belangrijkste pleitbezorgers van het neoliberalisme, zoals meestal wordt beweerd. Het omgekeerde is echter ook waar. Zo was Richard Nixon, een republikeinse president die Keynes juist op handen droeg en dus een belangrijke sturende rol bij de overheid neerlegde. Nixon kwam met een Tax Reform Act in 1969 en dat was een progressieve belastinghervorming. Nixon installeerde meerdere regelgevende instanties zoals de Environmental Protection Agency, de National Traffic Safety Commission, de Occupational Safety and Health Administration, de Consumer Product Safety Commission en de Mine Safety and Health Administration.
De huidige democratische president Obama realiseerde zich na de crisis dat de huidige situatie erop neer kwam dat de winsten geprivatiseerd werden en de verliezen gesocialiseerd. Dankzij de steun van zijn economische adviseur Paul Volcker kwam Obama met een zeer ingrijpend wetsvoorstel om de banken en het financiële verkeer streng te reguleren. Volcker was een gematigd democraat en de voorganger van Alan Greenspan als president van de Fed gedurende de periode 1979-1987. De nieuwe wetten zijn de boeken ingegaan als de Dodd-Frank Wall Street reform and consumer protection act en werden door het congres aangenomen op 21 juli 2010.
Belangrijkste vernieuwingen waren:
1.Een nieuw financieel toezichtsorgaan met de naam financial stability oversight council.
2.Meer regulering voor de financiële markten en de hedgefondsen.
3.De derivatenhandel werd aangepakt en mogen alleen nog maar verhandeld worden via de beurs en onder toezicht.
4.Banken zijn verplicht een soort testament te schrijven met daarin de mogelijkheid van een ordelijke liquidatie.
5.Aan hypothecaire leningen worden strengere eisen gesteld en de consumenten worden beter beschermd tegen financiële producten.
Helaas is deze wetgeving niet zo streng als de Glass-Steagall Act waarin er ook een scheiding was tussen risicovolle zakenbanken en risicomijdende spaar- en depositobanken. Volcker wist wel voor elkaar te krijgen dat spaar- en depositobanken niet meer dan 3% van hun eigen vermogen voor speculatieve handel mogen gebruiken (Volcker rule). De republikeinen hebben echter al laten weten de uitvoering van deze nieuwe wetten op allerlei manieren te zullen blokkeren.
Zo hebben deze nieuwe wetten ook niet kunnen verhinderen dat de bankenbonussen in 2010 weer torenhoog en excessief waren en dat de grote banken nog groter zijn geworden tijdens de financiële crisis.
Van Rossem laat hiermee zien dat hij de politieke geschiedenis van de VS goed heeft bestudeerd!

Het neoliberalisme is een marktfundamentalisme, zoals van Rossem het noemt, waar de meeste politici heilig in geloofden. Zo concludeerde ook SP-Tweede Kamerlid Jan de Wit met zijn onderzoekscommissie dat iedereen medeschuldig was aan de huidige kredietcrisis en dat er geen hoofdschuldige was.
Als ideologen van het neoliberalisme beschrijft hij uitgebreid Hayek en Milton Friedman (Chicagoschool) en verder noemt hij alleen Ayn Rand. Die laatste komt uitgebreid aan bod in het nieuwe boek van Hans Achterhuis “De utopie van de vrije markt” dat in 2010 is verschenen. Ayn Rand was de belangrijkste inspirator voor Alan Greenspan, de president van de Federale Amerikaanse Banken (Fed). Greenspan hield lange tijd de rente erg laag waardoor er goedkoop geleend kon worden en hij zag geen gevaren in de complexe financiële producten. Pas tijdens een openbare hoorzitting van de senaat erkende hij dat hij zich sterk vergist had.
Het belangrijkste boek van Rand “Atlas shrugged”(vertaald als “Atlas in staking”) uit 1957 was in de V.S. een bestseller. Alleen de Bijbel werd in de afgelopen decennia meer verkocht. Friedman en Hayek waren echter Nobelprijswinnaars en hadden daardoor ook grote invloed. Zo was Friedman ook jarenlang een belangrijke economische adviseur van Reagan. Veel uitgebreider dan van Rossem heeft gedaan beschrijft Naomi Klein in haar boek “De shockdoctrine” de rol van Milton Friedman en zijn Chicagoschool. Van Rossum noemt Klein en Achterhuis helaas niet in zijn lijst van geraadpleegde literatuur, terwijl het toch lijkt dat hij er kennis van heeft genomen want hij noemt het neoliberalisme ook een soort van shocktherapie. Toch vullen de visies elkaar prima aan.
Hayek was de belangrijkste inspiratiebron voor Thatcher, die zijn boek “Constitution of Liberty” in haar tas bij zich droeg.

Op zijn eigen manier maakt van Rossem duidelijk dat het neoliberale denken simplistisch is en ook niet klopt. De economie en de financiële markten kunnen niet goed functioneren zonder spelregels en begrenzingen opgelegd door de overheid om de samenleving, de burgers en consumenten te beschermen. Er moet een nieuwe balans gevonden worden tussen de vrije markt, de burgermaatschappij en de staat. De maatschappijvisie van R.Steiner, beter bekend als Sociale Driegeleding geeft daar bruikbare bouwstenen voor.
Mooi is vooral ook het taalgebruik in het boekje. Zo noemt hij Greenspan : “de goddelijke hogepriester van het marktfundamentalisme” of ”Marktwerking als paradijselijke tucht van modern management”.
In een apart hoofdstuk beschrijft van Rossem dat Europa meerdere vormen van kapitalisme met een menselijk gezicht (beschermende sociale voorzieningen) heeft ontwikkeld, die de economische groei niet hebben gehinderd en juist veel welvaart hebben gebracht. Dit boek bewijst ook het gelijk van Jan Marijnissen (zie boek “Tegenstemmen” uit 1996) en de standpunten van de SP bij hun verzet tegen deregulering voor de economie en verdere marktwerking in de zorg of het onderwijs.
Van Rossem heeft met dit boekje bewezen niet alleen verstand te hebben van geschiedenis maar ook van economie en politiek. Het is een aanrader juist voor economen en politici!

dinsdag 1 februari 2011

Een decennium Kleisterlee

Dit artikel is voor het eerst verschenen op dit weblog op  1 februari 2011


Gerard Kleisterlee 10 jaar CEO bij Philips!


Binnenkort neemt Gerard Kleisterlee afscheid als president-directeur bij Philips.
Hij was de opvolger van Cor Boonstra die in 2000 in opspraak raakte vanwege een tweetal rechtzaken voor aandelenhandel met voorkennis.
Boonstra had, als commissaris bij Ahold, gehandeld in aandelen Ahold zonder dit te melden. Dat leverde uiteindelijk een veroordeling en boete op van € 135.000. Dat is natuurlijk een schijntje gezien zijn geschatte vermogen van € 90 miljoen.
In een andere rechtzaak ging het om aandelen Endemol die Boonstra op een cruciaal moment verhandelde kort voordat bekend werd dat Endemol overgenomen zou worden door het Spaanse Telefónica. Hij zou deze informatie gekregen hebben van zijn toenmalige vriendin Sylvia Tòth, die commissaris was bij Endemol. Hieraan heeft hij enkele honderd duizenden Euro’s verdiend. In de rechtzaken (ook hoger beroep) kwam het echter niet tot een veroordeling vanwege een gebrek aan bewijs. Natuurlijk zijn er geen notulen of bandopnamen van privégesprekken. Feitelijk had Boonstra wel veroordeeld moeten worden want er was gerede twijfel.
Bij een topman, met een voorbeeldfunctie, hoort onbesproken gedrag de norm te zijn!

Boonstra was ooit de medeoprichter van de SRV (inderdaad, de rijdende kruidenier). Een typische kruidenier let vooral op de kleintjes en in dit geval vooral zijn eigen financiële voordeeltjes. Daarna maakte Boonstra carrière bij Sara Lee en werd door Jan Timmer naar Philips gehaald, waar hij tot 2001 president-directeur is geweest. Philips had een imagoprobleem en Boonstra moest dit oppoetsen met een nieuwe
PR-campagne. Zo bedacht hij de slogan: “Let’s make things better”!
Het is wonderlijk hoe een kruidenier met een commerciële neus een high-tech bedrijf als Philips kan runnen. Een bekende uitspraak van Boonstra was dat hij het als zijn taak zag om “het bord met spaghetti (= Philips) te ontwarren”.
In de 5 jaar als bestuursvoorzitter heeft Boonstra wel de beurswaarde van het Philipsaandeel kunnen vervijfvoudigen, iets wat Kleisterlee helemaal niet is gelukt.

Kleisterlee heeft sinds 1974 bij Philips gewerkt en dus een lange staat van dienst met 37 dienstjaren. Hij heeft ook een technische achtergrond met afgeronde studie Elektrotechniek bij TU/e.
De NRC heeft zaterdag 29 januari 2011 in een artikel de bedrijfscijfers, gedurende die 10 jaar dat Kleisterlee president-directeur was, op een rijtje gezet.
De omzet daalde in 10 jaar tijd met ruim 20% tot € 24,4 miljard, de beurswaarde halveerde bijna tot € 22,8 miljard. Alleen de winstcijfers laten een groei zien van een verlies van € 2,5 miljard in 2001 tot € 1,5 miljard winst in 2010.
Dat is echter geen topprestatie als je daarbij bedenkt dat Kleisterlee in die tijd wel het personeelsbestand heeft afgeslankt met bijna 40% tot 119.000 werknemers.
Natuurlijk heeft Kleisterlee ze niet allemaal ontslagen, maar heeft hij veel Philips- onderdelen afgestoten of verkocht. Toen Kleisterlee begon in 2001 waren er nog ruim zes divisies en die zijn inmiddels teruggebracht naar drie, te weten healthcare, consumer lifestyle en lighting. Door de verkoop van bedrijfsonderdelen boek je eenmalig een flinke winst en als je daarnaast nog bezuinigd op de personeelslasten doordat je veel minder werknemers hebt, is dat geen topprestatie.
De beloning van Kleisterlee over die 10 jaar is wel heel riant geweest. Volgens het NRC ging het om € 25 miljoen in 10 jaar, waarvan 10 miljoen als salaris en de rest als bonussen (€ 8,4 miljoen), onkosten(?), verzilverde opties en aandelen in portefeuille. Kleisterlee heeft er ook voor gezorgd dat ondanks de daling van de beurskoers de aandeelhouders (waaronder hijzelf) niet tekort kwamen.
Hij verdubbelde het dividend in 10 jaar tijd!

De NRC redacteur kwalificeerde Kleisterlee als een stevige verbouwer die de organisatie flink heeft gestroomlijnd. Het stroomlijnen, afslanken en kleiner maken van een organisatie of kortweg saneren lijkt mij echter geen topprestatie!
De Raad van Commissarissen gaat echter over het toekennen van prestatiebonussen en volgens hun criteria heeft Kleisterlee kennelijk de bonussen wel verdiend.
Groei, aandeelhouderswaarde en rentabiliteit waren kennelijk geen prestatievereisten. In een “old boys network” gun je elkaar tenminste wat!
Het Philips van tegenwoordig lijkt in weinig meer op de sociale onderneming van de vorige eeuw . Toen zorgde Philips behalve voor werk en arbeidsvoorwaarden ook voor huisvesting, gezondheidszorg, verzekeringen, sportvoorzieningen en zelfs studiebeurzen voor kinderen van medewerkers.
Nu lijkt het motto alleen nog maar “lean” en dus ook “mean”!

dinsdag 14 december 2010

Overheid spreekbuis van bedrijfsleven

Dit artikel is voor het eerst verschenen op dit weblog op 14  december 2010

Onderstaand artikel is ook verschenen op de SP-website, afdeling Eindhoven, in de rubriek Ingezonden vanaf  eind december 2010








                                                            

   Nieuwe kabinet lobbyist van het bedrijfsleven!

Het is een publiek geheim dat VNO voorzitter Bernard Wientjes druk gelobbyd heeft tijdens de lange periode van de formatiebesprekingen. In een NRC artikel bekende hij later openlijk dat veel van zijn punten terecht zijn gekomen in het huidige regeringsakkoord. Zo is ook openlijk door het VNO gezegd dat zij CDA-voorman Maxime Verhagen heel graag als minister van Economische Zaken zagen en dat gebeurde ook.
Dit ministerie moest veel sterker en machtiger worden als tegenhanger van het allesbepalende ministerie van Financiën.
Op vele beleidsterreinen zien we de gevolgen:
- Ontwikkelingssamenwerking moet minder, maar vooral ook in dienst staan van het bedrijfsleven. Armoedebestrijding is prima als het Nederlandse bedrijfsleven er maar van profiteert.








 
 
 
 
 
 
 
- Eenzelfde tendens zien we bij het Ministerie van Buitenlandse zaken waar Uri Rosenthal (VVD) momenteel minster is. Zo heeft hij aangegeven dat het buitenlandse beleid vooral gericht moet zijn op de belangen van mensen én de economie. Dus geen gezeur meer over mensenrechten maar commerciële opdrachten binnenhalen. De ambassades moeten nog meer dan ze al deden contacten leggen en deuren openen voor het bedrijfsleven. Rosenthal is een vurig pleitbezorger van Israël en nog meer dan Verhagen dat al was. Helaas voor het Palestijnse volk dat de terreur en onderdrukking van Israël nog langer moet verdragen. Juist deze week deed een groep van oud-politici (o.a. van Agt en Solana) een oproep aan Europa en de Europese Commissie om één blok te vormen en sancties te gaan opleggen aan Israel . Door deze dwang zijn ze misschien meer geneigd om weer aan de onderhandelingstafel zitting te nemen, wat de VS maar steeds niet lukt.
- De grote bezuinigingen op onderwijs, wetenschap & cultuur spelen het bedrijfsleven direct in de kaart. Geen concurrentievervalsende subsidies meer!
- Bezuinigen op NGO’s en Milieugroeperingen komt het bedrijfsleven ook goed uit want zij frustreren bedrijven vaak met inspraakprocedures en blokkeren vergunningen. Geen gesubsidieerde oppositie meer voor het bedrijfsleven!
- Op sociaal-maatschappelijk gebied staat ons ook veel te wachten. De verhoging van de pensioenleeftijd komt de pensioenfondsen en het bedrijfsleven goed uit, want er dreigt een grote werkeloosheid door de komende vergrijzinggolf. Meer vraag dan aanbod van arbeid zal de lonen doen stijgen en dat is nadelig voor de concurrentiepositie (én de winsten van het bedrijfsleven).
Gelukkig en misschien dankzij de PVV is een verdere uitholling van het ontslagrecht nog niet afgesproken, maar zijn grote bezuinigingen op sociale werkplaatsen wel opgenomen.
 
Schrijnend als je dat afzet tegen het niet aanpakken van de hypotheekaftrek voor de hoogste inkomens , geen bankenbelasting en zelfs een belastingverlaging voor bedrijven!
Zoals er een scheiding is tussen Kerk en Staat, zo moet er ook een scheiding komen tussen Staat en Economie. De Staat, de overheid is de wettige vertegenwoordiger van de bevolking en moet opkomen voor de belangen van de hele samenleving en dus niet als een buikspreker en belangenbehartiger van het bedrijfsleven!
 
Helaas zien wed dat ook terug bij de formatiebesprekingen tussen VVD, CDA, D66 en CU in 2017.
Ook toen kwam als een konijn uit de hoed, het voorstel van de VVD (Rutte) namens de kersverse coalitie om de vennootschapsbelasting deels kwijt te schelden (aan buitenlandse investeerders). Een cadeautje van € 1,4 miljard ten nadele van de schatkist, terwijl er een schreeuw vanuit de samenleving is om de salarissen in de zorg, het onderwijs, defensie wat te verhogen. Jammer dan, de VVD danst liever naar de pijpen van het VNO/NCW. 

donderdag 21 augustus 2008

Sociale Driegeleding en Driehoek van Sierpinski











Dit artikel is voor het eerst verschenen op dit weblog op 21 augustus 2008


De Sociale Driegeleding heeft ook een wiskundige vorm.

Dit artikel is gepubliceerd op de website www.antrovista.nl sept./okt/2008

Al langere tijd was ik op zoek naar een geschikte vorm of model om het concept van de sociale driegeleding visueel weer te geven. Uiteindelijk ben ik uitgekomen bij de fractal driehoek van Sierpinski. Deze Poolse wiskundige (1882- 1969) was deels een tijdgenoot van R.Steiner. In 1915 beschreef hij in een publicatie (*) deze bijzondere driehoek die als een voorloper van de fractals is te beschouwen. Enige jaren later vanaf 1919 beschreef R.Steiner (1861-1925) zijn ideale visie op de samenleving en noemde dat Sociale driegeleding.
In de samenleving heb je volgens R.Steiner drie geledingen te weten het rechtsgebied, het economische gebied en het sociaal maatschappelijk (of geestes-)leven. In iedere geleding hoort een kernwaarde het belangrijkste principe te zijn . Dat zijn dus respectievelijk Gelijkheid, Broederschap of Solidariteit en Vrijheid (ook ontleent aan de idealen van de Franse Revolutie). Hij noemde het bewust niet sociale of maatschappelijke driedeling omdat deze gebieden niet van elkaar te scheiden, maar wel te onderscheiden zijn.
Ook in ieder afzonderlijk gebied heb je dus ook weer deze drie principes of waarden waarbij er echter één het leidende beginsel of kernwaarde is. Daarnaast is het zo dat deze driegeleding niet alleen op mascroschaal (de samenleving als geheel) maar ook op meso- (denk aan bedrijven of organisaties) en op microschaal (denk aan gezin of vereniging) bestaat.
In ieder gebied van macro tot microschaal heb je dus steeds deze drie aspecten of waarden (gevisualiseerd als hoekpunten) die je in je overwegingen moet betrekken.
* W. Sierpiński, Sur une courbe dont tout point est un point de ramification, C. R. Acad. Sci. Paris 160(1915) page 302-305


In het economische leven waar dus het leidende principe solidariteit of broederschap zou moeten zijn hebben je echter ook te maken met rechtsvraagstukken(met als uitgangspunt gelijkheid) zoals arbeidstijden, vakantiedagen, werkweken, minimumlonen, aanname- en ontslagbeleid (volgens het niet-discriminatie principe) voor werknemers.
Ook werkgevers hebben te maken met vele wetten (belasting, milieu, economische mededinging etc.
Daarnaast het je in het economische gebied ook te maken met een stukje geestesleven waar juist de vrijheid het belangrijkste principe zou moeten zijn, Denk aan de keuzevrijheid voor consument, werknemer of de vrijheid van onderzoek die moet leiden tot nieuwe innovaties.

Op iedere schaalgrootte en voor ieder gebied geldt dus de driegeleding!
Dit zelfde principe dat wiskundig zelfgelijkvormigheid wordt genoemd, zien we terug in de driehoek van Sierpinski. Op een visuele manier maakt deze oneindige driehoek duidelijk dat op ieder niveau deze drie geledingen bestaan.
Zijn dit kosmische wetmatigheden?
Driehoek van Sierpinski
Deze mooie driehoek is zeer gemakkelijk te construeren en is een voorloper van de moderne fractals. Men begint met een gelijkzijdige driehoek. Dan nemen we het middelpunt van de drie zijdes. Deze punten verbinden we zodat we een nieuwe driehoek krijgen. Deze nieuwe driehoek snijden we weg uit de eerste grote driehoek. In de zo ontstane 3 driehoeken passen we deze operaties terug toe. Aldus krijgen we de volgende figuren die aan het begin van het artikel staan.

Fractals zijn meetkundige figuren, met speciale eigenschappen. De belangrijkste is de zelfgelijkvormigheid. Dat betekent dat als men een stukje van een fractal vergroot men weer de oorspronkelijke figuur verkrijgt. Deze eigenschap heeft ook nog andere gevolgen: als men slechts een stukje kent van een fractal, kan men hieruit de volledige fractal terug herleiden.!

Biografie SierpinskiWaclaw Sierpinski werd geboren op 14 maart 1882 in Warschau (toen behorend bij Rusland maar nu Polen) en hij stierf op 21 oktober 1969 in Polen. Hij was de zoon van een dokter en zijn talent voor de wiskunde bleek al op de lagere school. Dat hij ook was begaan met zijn medemensen kwam naar voren uit het feit dat hij stiekem les gaf aan jongens die geen geld hadden om naar school te gaan.
Uiteindelijk kwam Sierpinski ondanks de problemen in zijn land toch op het "Department of Mathematics and Physics” van de universiteit van Warschau in het jaar 1900. In 1903 kreeg hij de gouden medaille als erkenning voor het beste verslag door een student over de cijfertheorie van Vorony. Hij haalt zijn universitaire graad in de wiskunde.
Later zal ook een doctoraat behalen in de filosofie in 1906 aan de Universiteit van Krakau. Vanaf 1908 is hij als hoogleraar verbonden aan de Universiteit van Lvov. Jaren later zal hij een aanbod krijgen om aan de Universiteit van Warschau te doceren. In 1919 keert hij dan terug naar zijn geboortestad en zal er de rest van zijn leven doorbrengen.
Hij schreef maar liefst 724 artikelen en 50 boeken en won er ook vele prijzen mee.
Hij kreeg eredoctoraten van de Universiteit van Lima, Amsterdam, Sofia, Praag en Moskou. Hij werd verkozen als buitenlands lid bij wel tien verschillende academies van wetenschappen (o.a. Nederland, Duitsland en Amerika).

Oneindige drieledigheid kan ook meer kunstzinnig worden weergegeven zoals hieronder. Dit zijn twee getekende mandala's van Leidy de Gooijer waarin ik overal een drie-eenheid zie.

 

 

















maandag 11 augustus 2008

Superkapitalisme

Dit artikel is voor het eerst verschenen op dit weblog op 11 augustus 2008


Onderstaand artikel is gepubliceerd in het tijdschrift Driegonaal Oktober 2008


Een duivels dilemma !

Boekbespreking:
Robert B. Reich, Superkapitalisme en de bedreiging van onze democratie
ISBN13: 9789047000594, Business Contact, 2007


Dit in 2007 uitgegeven boek van hoogleraar Beleid en Politiek aan de Universiteit van Californië, Berkeley, biedt een grondige geschiedenis van de Amerikaanse economie vanaf ongeveer het midden van de 19e eeuw tot in onze tijd. Reich is behalve wetenschapper ook politicus geweest in drie regeringen. Tijdens de regeerperiode van Bil Clinton was hij minister van werkgelegenheid.
Dit boek is inmiddels zijn elfde en het is gedegen studie op basis van historische feiten. Heel anders dan Naomi Klein in De shockdoctrine, verklaart Reich de desastreuze gevolgen van het doorgeslagen kapitalisme, in zijn woorden het ‘superkapitalisme’, niet als een vooropgezet plan van een groepje machthebbers uit neo-liberale hoek, maar als logische of noodzakelijke gevolgen van een bepaald systeem.

Over de huidige situatie is Reich volstrekt duidelijk. Het economische, kapitalistische systeem is volledig doorgeslagen en heeft de democratie en de rechtstaat grondig aangetast. Burgerrechten en de publieke belangen van de samenleving zijn geofferd in de zegetocht van het mondiale consumentisme. De consument, die vaak ook belegger is, heeft op allerlei manieren geprofiteerd van lage consumentenprijzen en de overdaad aan producten.
De belegger (individueel dan wel via financiële instellingen en pensioenfondsen) zoekt het hoogste rendement en consumenten “dwingen” producenten om zo goedkoop mogelijk te produceren. De gevolgen daarvan zijn duidelijk: steeds lagere lonen (ook in de VS), verslechtering van arbeidsvoorwaarden en pensioenen, meer kans op ontslag, uitholling van gemeenschappen, milieuschade en kinder- of laagbetaalde arbeid in ontwikkelingslanden.
Dat is de prijs die wij betalen voor deze economische vraatzucht.
De balans die Reich opmaakt is treurig en toont de gespleten positie van de individuele consument: we zijn zelf medeschuldig aan deze situatie en hebben er tegelijkertijd voordeel van.
Reich bespreekt uitgebreid, en met vele feiten en cijfers onderbouwd, de periode 1945-1975, die hij de “niet-echt gouden eeuw” noemt. Dat was, misschien verrassend, een periode met een sterke overheid die de economie daadkrachtig bestuurde. Wie weet (nog) dat in de VS, onder Eisenhower, de hoogste schijf van de inkomstenbelasting 91% bedroeg en pas onder John F Kennedy naar 78% daalde?
Het was een tijd van relatieve economische rust waarbij in de meeste bedrijfssectoren oligopolies actief waren (zoals in de olie-, auto-, metaal-, electriciteits- en vervoerssector). In ruil voor een zekere overheidsbescherming (o.a. het tegengaan van concurrentie) accepteerden de grote bedrijven dat de overheid zich bemoeide met de prijzen en liet ook toe dat er vakbonden waren, goede salarissen en arbeidsomstandigheden, zelfs ziektekostenverzekeringen en pensioenregelingen. Nooit eerder waren de inkomensverschillen in Amerika zo klein, bestond er zo’n sterke en financieel gezonde middenstand en boerde de economie als geheel goed met gestage groeicijfers. Er was sociale rust en het enige manco was dat de innovatie achter bleef.
Het was het Amerikaanse antwoord op het staatsgeleide communisme in Rusland en China en vergelijkbaar met de sociaaldemocratieën in Europa. In de praktijk een vorm van socialisme, al hebben Amerikanen een weerzin tegen dat woord.

De grote veranderingen zijn volgens Reich ontstaan toen de overheid besloot om, onder druk van de koude oorlog tegen Rusland, op grote schaal wetenschappers en technici aan het werk te zetten in grote militaire- en ruimtevaartprojecten. Daaruit zijn vele nieuwe technologieën ontstaan (halfgeleiders, geïntegreerde schakelingen en later microchips), nieuwe materialen en het internet. Het internet kwam voort uit een militair project voor het ministerie van Defensie dat Arpanet heette om realtime gecompliceerde informatie over te brengen. Veel van deze nieuwe technologieën vonden hun weg naar de economie en werden o.m. toegepast in consumentenproducten.
Electronica en informatietechnologie hebben het bedrijfsleven totaal veranderd. Oude en gevestigde oligopolisten werden zwaar onder druk gezet door kleine, jonge bedrijven. Het meest sprekende voorbeeld is dat van de IBM-reus, die hevige concurrentie kreeg van Microsoft.
De bedrijfsgrootte, de financiële buffers en logistieke verbindingen speelden in korte tijd geen grote rol meer. Toelatingsdrempels en schaalvoordelen verdwenen als het ware. Een zeer sterke innovatiegolf overspoelde de economie en de wereld.
De effecten waren ingrijpend en ook de overheid was gedwongen te reageren met het afbreken van oude tarief- en kartelovereenkomsten en het toelaten van concurrentie. Vele economische overheids- en branchegerichte instellingen werden opgedoekt.
Reich documenteert deze veranderingen zeer grondig. Bijvoorbeeld voor wat betreft de financiële sector die het eerst en meest vergaand werd geliberaliseerd. Men zag ongekende groeikansen voor de economie en de financiële wereld wilde daar graag op inspringen. Kenmerkend daarvoor is de ontwikkeling van de Dow Jones aandelenkoers die tot ongeveer 1985 over een periode van 100 jaar zeer geleidelijk steeg tot 1.000 punten. In de 20 jaar daarna schoot de Dow Jones door naar 11 à 12.000 punten, ondanks de internetcrisis rond 2000. In dezelfde periode zijn arbeidslonen en overige arbeidsvoorwaarden sterk verslechterd en is de maatschappelijke en democratische schade fors toegenomen.
Reich beschrijft hoe het rechtssysteem nagenoeg in handen van het bedrijfsleven is gekomen. Alle juridische gevechten gaan tussen bedrijven en over de ruggen van burgers. Ook alle overheidswetgeving wordt nauwlettend gevolgd en gestuurd door bedrijfslobbies en elk besluit is dan ook bijna altijd economisch bepaald.
Bijkomend probleem zijn de grote geldstromen van bedrijfsleven naar politiek (kandidaten en partijen van beide signatuur) die politici ook extra afhankelijk maken van bedrijfsbelangen. Ziedaar het huidige duivelsdilemma ten voete uit.

Reich ontpopt zich als een scherpzinnig analist en pleitbezorger van een ontwikkeling die in overeenstemming lijkt met de sociale driegeleding, al beperkt hij zich, in driegeledingstermen, tot de geledingen economie en overheid (rechtsgebied). Van het geestesleven, waar ook wetenschap, onderwijs en gezondheidszorg bij gerekend dienen te worden, begrijpt hij weinig. Ergens verzucht hij dan ook dat hij niet kan begrijpen waarom in onderwijs en gezondheidszorg de technologische (en dus ook economische) schaalvoordelen niet zijn opgetreden. Hij kan het niet verklaren.
Aan het slot van het boek komt Reich tot enige aanbevelingen die hij omzichtig formuleert. Natuurlijk moet de overheid redelijke en rechtvaardige beloningen garanderen, inkomensverschillen via belastingheffingen terugdringen en moet zij ook zorgen voor een nationaal gezondheidsstelsel en goed onderwijs.
Interessant is ook zijn gezichtspunt dat bedrijven geen morele wezens zijn en dus ook geen democratische burgerrechten mogen opeisen. Zij mogen dus geen inbreng hebben in democratische en politieke besluitvorming, want dat terrein is voorbehouden aan burgers.
In het verlengde daarvan mogen bedrijven ook geen geld geven aan de politiek, op welke manier dan ook.
Dat is de meest radicale manier om een scheiding tussen rechtsleven en economisch leven dichterbij te brengen. Reich is dus ook geen pleitbezorger van Maatschappelijke Verantwoord Ondernemen of Beleggen want in zijn visie is een bedrijf geen morele entiteit die ethische dilemma’s moet of kan oplossen. Winst maken zal uiteindelijk prevaleren.

Reich schreef een ontnuchterend maar ook verhelderend boek dat ik van harte kan aanbevelen.

donderdag 26 juni 2008

Dissertatie over Sociale Driegeleding

Dit artikel is voor het eerst verschenen op dit weblog op 26 juni 2008 



Sociale Driegeleding doorstaat hoogste wetenschappelijke toets.


Dit artikel is verschenen in de e-nieuwsbrief van de werkgroep Sociale Driegeleding en oorspronkelijk gepubliceerd eind 2007

Eind oktober 2007 is ex-vrije schoolleerling C. Dieterman gepromoveerd aan de Universiteit van Leiden , faculteit der Rechtsgeleerdheid op een proefschrift getiteld: "Trias Ethica: De Regels van Staatsmanskunst" .
Dieterman heeft de maatschapijvisie van R.Steiner en die we kennen als de socviale driegeleding omgedoopt tot Trias Ethica.
Deze luidt: "De samenleving,de politiek en het bedrijfsleven zijn autonoom binnen de respectievelijke domeinen van het geestelijke leven, het rechts- en politieke leven en het economisch leven, waar de respectievelijke principes van vrijheid, gelijkheid en broederschap heersen".

Het is zoals Dieterman benadrukt een algemene theorie voor het vakgebied der internationale betrekkingen.
In de bewijsvoering heeft hij de meest zuivere methode uit de wetenschap gebruikt namelijk de geometrische methode die start vanuit een axioma en vandaar de lijn der deductie bewandeld. Dieterman beweert hiermee dat hij buiten Steiner en de sociale driegeleding om tot dit wetenschappelijke inzicht is gekomen.

Als laatste formuleert hij de IJzeren Regel der Staatsmanskunst die luidt :
"De macht, of deugdzaamheid, van de staat is evenredig aan zijn vermogen te handelen
volgens de trias ethica".
Voor wie de uitgebreidere nederlandse samenvatting wil lezen zie http://www.nieuws.leidenuniv.nl/content_docs/Promoties_oktober_2007/dieterman_samenvatting__10_pp_.pdfof ook https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/12387

Uit zijn cv blijkt dat Christward Dieterman een brede internationale scholing en ervaring heeft opgebouwd. Zo heeft hij aan het Insitut d'Etudes Politiques te Parijs, de Oxford en Harvard University gestudeerd. Daarnaast is hij ook werkzaam geweest voor de Nederlandse Mededingings authoriteit (NMa), voor de Wereldbank, bij het IMF en het Nederlandse Ministerie van financiën.
Het wordt nu tijd dat de politieke gremia kennis nemen van dit bijzondere proefschrift en er vervolgens naar gaan handelen.
Sociale Driegeleding is nu formeel "wetenschappelijk bewezen"!!

Hieronder het nederlandse persbericht:
Eén wereldeconomie, zo vele culturen – hoe recht te doen aan beide?
Deze vraag staat centraal in het proefschrift van Christward Dieterman
'Trias Ethica: The Rules of Statecraft'.

Bij de beantwoording van die vraag kiest het voor het perspectief van de staatsman en voor de vorm van een general theory. Door aan te voeren dat zo een theorie mogelijk is binnen de Leer der Internationale Betrekkingen, daagt dit proefschrift de hoofdstromingen in het vakgebied uit.
-Grotius en Spinoza:
Voor de bewijsvoering volgt dit proefschrift de geometrische methode, zoals deze werd toegepast door Grotius en vooral Spinoza. Deze keuze volgt uit inconsistenties in de gangbare denkbeelden, die zijn gebaseerd op Hobbes of Kant en vooral ook op Descartes. De geometrische methode wordt alleen wel eerst aangepast aan de eisen van de tijd. Sinds de ontdekking van non-Euclidische geometrie een eeuw geleden en de toepassing ervan door Einstein, dient Spinoza’s systeem herontdekt te worden. De aanpassing van de geometrische methode heeft gevolgen voor godsbegrip, mens- en wereldbeeld. Zo verstrekkende zelfs, dat kan worden beargumenteerd waarom de werkelijkheid uit 7 of 12 dimensies bestaat en niet uit 10 of 11, zoals de snaartheorie momenteel beweert in de zoektocht naar een theory of everything in de natuurkunde.

- Praktische relevantie
De praktische relevantie van dit proefschrift is erin gelegen dat het een kader biedt voor staatslieden waarbinnen internationaal beleid kan worden begrepen en gevormd. Aangetoond wordt dat zij altijd te maken hebben met een trias ethica. Deze trias omvat, anders dan de trias politica van Montesquieu, naast het domein van recht en politiek ook de domeinen van respectievelijk economie en cultuur. Globaliseringsvraagstukken kunnen alleen worden opgelost als deze drie domeinen met elkaar in verband worden gebracht. In elk domein heerst een eigen principe en als de staatsman deze principes of de domeinen verwart, is staatsoptreden gedoemd te mislukken. Toepassing van de in dit proefschrift geformuleerde, Gulden en IJzeren Regel kan dit voorkomen.

- Promotoren
De promotor van het proefschrift Trias Ethica: The Rules of Statecraft is prof. dr. A. van Staden.

Enige tijd later is de promovendus dr Dieterman aangenomen als Eerste Kamer ambtelijk secretaris onder voorzitterschap van Mevr. Yvon  Timmerman-Buck (CDA) . Meteen van wetenschappelijke theorie naar de hoogste politieke praktijk.
 Na twee zittingsperioden is Mevrouw Timmerman overgestapt naar de Raad van State, waar haar juridische achtergrond van betekenis is. 

maandag 9 juni 2008

Staatsonderwijs is een slechte zaak

Dit artikel is voor het eerst verschenen op dit weblog op 9 juni 2008


Overheid: Handen af van het Onderwijs
!

De door de commissie Dijsselbloem gepresenteerde resultaten van het parlementair onderzoek naar de onderwijsvernieuwingen zijn een bevestiging van wat velen: ouders, leerkrachten en leerlingen al jarenlang direct hebben ervaren en lijdzaam hebben moeten ondergaan: "Overheid blijf van het onderwijs af".
De overheid zou daaruit een wijze les moeten trekken en zich helemaal niet meer met het onderwijs moeten bemoeien. Centrale sturing werkt niet voor het maatschappelijke gebied van Wetenschap,Onderwijs, Kunst en Cultuur (zie ook boek Trias Politica Ethica).
http://triaspoliticaethica.blogspot.nl/2012/12/recensie-van-ebakkum.html

De aanbevelingen van de commissie waarbij de overheid veel terughoudender moet zijn ten aanzien van het onderwijs zouden inderdaad zeer ter harte genomen moeten worden, maar gaan nog lang niet ver genoeg. Indachtig artikel 23 uit de grondwet waarin de Vrijheid van Onderwijs is vastgelegd, zou veel meer naar de geest dan naar de letter van deze tekst gehandeld moeten worden. De commissie benadrukt dat het een kerntaak van de overheid is om het wat (de inhoud van het onderwijs) te bepalen en het onderwijsveld de vrijheid te geven voor het hoe (didactische en pedagogische vorm).

Dit is echter zeer discutabel.Ook het wat zou door het onderwijsveld zelf bepaald moeten worden omdat kinderen zo verschillend zijn in aanleg en kunnen. De overheid zou hoogstens hele algemene, globale kerndoelen mogen formuleren.
Wel moet de overheid de financiële middelen verstrekken voor de schoolorganisatie, goede salarissen van leerkrachten en deugdelijke, gezonde schoolgebouwen. Verder zouden ze eisen mogen stellen aan bevoegdheden van leerkrachten en onderwijsuren.

Zo werkt het Finse onderwijssysteem (met een teruggetreden overheid en vergaande autonomie van de scholen en geen centrale eindexamens!). Het al in 1972 verschenen boekje “De ontschoolde maatschappij” van de inmiddels overleden cultuurfilosoof Ivan Illich, zou voor ieder kamerlid verplichte kost moeten zijn.
 Geef het vertrouwen terug aan scholen, leerkrachten en ouders! Dat dit geen teruggang in kwaliteit, maar juist een verbetering van de onderwijskwaliteit oplevert, hebben de periodieke internationale vergelijkende onderzoeken (PISA) aangetoond. Finse scholieren staan al jaren in de top drie op alle onderdelen! Op een toneel-, kunstacademie of conservatorium wordt ook niet gewerkt met landelijk voorgeschreven profielen en centrale examens. Zo zou het voor het hele onderwijs moeten gaan inclusief basis en middelbaar onderwijs. Laat het onderwijs over aan de professionals!

dinsdag 27 mei 2008

Bedrijven zijn geen handelswaar.

Dit artikel is voor het eerst verschenen op dit weblog op 27 mei 2008


ingezonden Artikel in NRC 21/07/2007
Bedrijven geen handelswaar, maar collectief bezit

"Stop het gezeur over topsalarissen", zo luidde de titel van het artikel van Jort Kelder maar zijn redenering is krom en onethisch.Terecht is er in Nederland en in de politiek & de media steeds weer veel ophef als er weer voorbeelden van deze managers- "graaicultuur" bekend worden. Kelder noemt zelf het voorbeeld van Numico directeur Bennink die door een overname van Danone zelf 80 miljoen euro overhoudt. Het wordt hoog tijd dat de politiek haar verantwoordelijkheid in deze kwestie oppakt en maatregelen doorvoert. De Balkenende norm is wat dat betreft zo gek nog niet. De overheid kan echter nog veel verder gaan. Oud econoom en Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen pleitte al jaren geleden voor een norm waarbij de hoogste inkomens maximaal tien keer zo hoog zijn als de laagste inkomens. Helaas hebben maar weinig politici hiernaar geluisterd al heeft Wouter Bos dat recent ook nog eens genoemd. Met Kelder ben ik het eens op het punt waarbij hij stelt dat een extra belasting, de zogenaamde graaitax niet zal werken. Wat wel werkt en dat is al jaren gebleken bij de invoering van een minimuminkomen is het opleggen van een maximuminkomen. Dat is de enige remedie.Of het verschil nu een factor 10,20 of 50 is, maakt niet veel uit als de verschillen maar gebaseerd zijn op een objectief functiewaarde- ringssysteem zoals we dat in Nederland ook al decennia hanteren. Een secretaresse op het gemeentehuis of bij de overheid moet evenveel kunnen verdienen als in het bedrijfsleven. Kelder bepleit ook naar het voorbeeld van Singapore dat ambtenaren best topsalarissen mogen verdienen. Topfuncties bij de overheid moeten inderdaad evenveel kunnen verdienen als in het bedrijfsleven en vandaar ook mijn voorstel voor een eerlijke functiewaardering en een daarop gebaseerd beloningssysteem. De zwaarte en dus ook de verantwoordelijkheid van een functie moet doorslaggevend zijn en niet de marktverhoudingen. Kelder noemt het voorbeeld van een sporters, kunstenaars en entrepreneurs als helden en hun talenten mogen beloond worden. Dat is zeker waar maar waarom verdient een topvoetballer, basketballer, bokser of tennisser miljoenen, terwijl een wereldkampioen zwemmen, tafeltennissen, korfbal, judo, skieën nauwelijks van zijn sport kan leven??? Dat verschil heeft niet te maken met de grootte van de sport maar alleen met commerciële belangen. De eerst genoemde sporten zijn nu eenmaal populair op de televisie. Het heeft niets met kwaliteit te maken. Als managers in termen van Wim Kok zich schuldig maken aan "exorbitante zelfverrijking" heeft dat simpelweg te maken met machtsmisbruik waarvoor ze helaas niet teruggefloten worden door de raad van commissarissen of zoals tegenwoordig zou moeten door de aandeelhouders. Die hebben echter ook alleen Eurotekens voor hun ogen. Managers vergeten daarbij gemakshalve dat de in de loop der tijd opgebouwde waarde van een bedrijf niet hun eigen verdienste is, maar de verdienste van een grote groep mensen zoals ingenieurs en medewerkers. Bedrijven zijn daarom geen handelswaar maar een soort collectief bezit.

R.Thelosen, auteur van het boek Trias Politica Ethica.

Lerarenzelfbestuur heeft de toekomst

Dit artikel is voor het eerst verschenen op dit weblog op 27 mei 2008

Dit artikel is gepubliceerd op het discussieforum van Antrovista


Lerarenzelfbestuur en Mandatenorganisatie:
Uit de tijd??

Inleiding voor het discussieforum 'De vrijheid van de Vrije School achterhaald?'
Directe aanleiding voor dit artikel was een bezorgde vraag van een onderbouwleerkracht van een vrije school die mijn artikel had gelezen in lerarenbrieven in 2003 als reactie op het eerdere nummer (Pasen 2003) dat ging over 'het besturen van vrijescholen'. Daarin was ik een pleitbezorger van lerarenzelfbestuur en een mandatenorganisatie. Deze persoon wordt nu geconfronteerd met het aanstellen van een schoolleider (en zelfs iemand uit het bedrijfsleven) met steun van ouders en bestuur.
Als je de recente artikelen en opvattingen leest van werkers uit het veld zoals: van bestuursvertegenwoordigers en directies (in het themanummer van Lerarenbrieven jrg 14, no.2 Pasen 2003) en van deskundigen zoals in een boek van A. Bekman getiteld 'Besturen in antroposofische organisaties' (NPI) en 'Waarom doen we zo moeilijk'? of van Ferd van Koolwijk: 'Lucifer, Ahriman en Christus in Organisaties' dan ontstaat de indruk dat de ideeën over Lerarenzelfbestuur en Mandatenorganisatie grotendeels achterhaald, ouderwets en vooral onwerkbaar worden gevonden en vervangen dienen te worden door een professionele organisatie en managerscultuur.
Kennelijk ook nog met succes want er zijn in Nederland nog maar weinig vrije scholen die nog werken met deze ideeën en uitgangspunten.
Heeft het gedachtegoed van R. Steiner uit begin 1900 en de vele uitwerkingen en verdiepingen van denkers als Ernst Lehrs in 1956 ('Republikanisch, nicht Demokratisch) of later D.Brüll (1988 'Republikanisch und Demokratisch') en artikelen van Mouringh Boeke, Fred Beekers, Hans Peter van Manen en Lex Bos opeens aan waarde ingeboet en haar betekenis verloren ???
Zelf beschouw ik het eerder als een tijdelijke hype of trend die momenteel rondwaart in onze maatschappij waarin het management- en marktdenken in alle sectoren van onze samenleving de overhand lijken te hebben en instituties van het geestesleven in ernstige mate bedreigen en in verwarring brengen. Ook de overheid lijkt het vrije marktdenken en het resultaat denken volledig te hebben omarmd en alle publieke taken te privatiseren en het krachtenspel over te laten aan de markt.
Aan R. Steiner hebben we de maatschappijvisie van de sociale driegeleding te danken die de samenleving onderverdeeld in drie verschillende gebieden waar verschillende basis- of ethische principes bepalend moeten zijn. In het geestesleven (sociaal-culturele leven inclusief onderwijs en wetenschap) hoort de vrijheid het leidende beginsel te zijn. In het economische leven broederschap en in het rechtsleven de gelijkheid.
Het onderwijs en haar instituties horen in het gebied van het geestesleven thuis. R.Steiner heeft onderwijs ook terecht opvoedkunst genoemd en daarbij is vrijheid een belangrijke voorwaarde.
In een school met een team van leerkrachten betekent dat vanzelfsprekend dat de leraren tezamen verantwoordelijk zijn voor het bestuur, de leiding en het beleid van de onderwijsorganisatie. Alleen dan is de vrijheid en verantwoordelijkheid gewaarborgd, die nodig is zodat leerkrachten hun kunstzinnige werk met en voor kinderen goed kunnen doen en daarbij het vertrouwen hebben van de overheid (financier) en de ouders.
Volgens mij is het ook een grote misvatting om te denken dat lerarenzelfbestuur alleen mogelijk is wanneer een school volledig los staat van de overheid en overheidsfinanciering beschouwd wordt als een onrechtmatige afhankelijkheid. Leraren zouden als 'ondernemende' en volledig verantwoordelijke medewerkers ook juridisch de aansprakelijkheid moeten dragen. Een aantal scholen heeft hier in het verleden ook mee geëxperimenteerd via verschillende rechtspersonen als lerarencollectief.
Een school is echter geen bedrijf en dus telt de resultaatverantwoordelijkheid op een heel andere meer geestelijke morele manier in plaats van het te beschouwen als risicodragend ondernemerschap.
Integendeel de overheidsfinanciering voor onderwijsorganisaties is juist een belangrijke voorwaarde als een financiële basis waar de maatschappij en de belastingbetalers recht op hebben. Het probleem schuilt hem eerder in de overheidsbemoeienis inhoudelijk waartegen bezwaar mag worden aangetekend. De overheid dient te zorgen voor de faciliteiten (gebouw, inrichting, energie en onderhoudskosten) en salariëring van de leerkrachten. Dan pas is de leerkracht vrij(gesteld) om zijn vrije beroep goed te kunnen uitoefenen en zich dient indachtig de sociale hoofdwet iedere maand hoeft af te vragen of er wel genoeg inkomsten zijn binnengekomen zodat de lonen betaald kunnen worden.
De essentie van lerarenzelfbestuur is dat er in het onderwijs geen juridische of personele scheiding is tussen bestuur of leiding van de school en de uitvoering van onderwijsproces. Alle organisatorische, financiële en personele kwesties zijn ondergeschikt (slechts voorwaardenscheppend) aan het onderwijsproces. Het bestuur en beleid dienen dus bij de leerkrachten te liggen en niet bij professionals of managers, die alleen kennis hebben van organiseren, boekhouden, juridische en facilitaire kwesties etc. In het laatste geval wordt het onderwijs onherroepelijk ondergeschikt.
Mag er dan geen wettelijk bepaald bestuur zijn? Jawel, want volgens de wetgever dient afhankelijk van de rechtsvorm (Stichting of Vereniging) er een bestuur te zijn dat de eindverantwoordelijkheid formeel draagt en aansprakelijkheid heeft. Dat is een zorgvuldigheidsvereiste vanuit de overheid dat bedoeld is om erop toe te zien dat gemeenschapsgelden goed besteed en beheerd worden. Een school die wil werken met een vorm van lerarenbestuur kan daar juist groot voordeel uit putten als zij een wettelijk bestuur heeft dat bestaat uit ouders of deskundigen op het gebied van arbeidsrecht, overheidsfinanciering en wetgeving, of financieel/juridisch deskundig is.
In de bedrijfseconomie kent men het principe van 'checks and balances', dat ervoor zorgt dat uitvoering en controle niet bij een persoon ligt. Men kan niet boekhouder zijn en tegelijkertijd de controlerende accountant zijn. Ook in de politiek hanteren we dit balansprincipe maar dan in een driedeling het 'trias politica principe', met daarin een scheiding tussen wetgevende(regering en 1e kamer), uitvoerende(ministeries en ambtenaren) en controlerende macht (rechtspraak en 2e kamer).
Een bestuur en medezeggenschapsraad kunnen een team van leraren juist ondersteunen, adviseren en begeleiden bij het opstellen van een jaarrekening, personeels- en arbobeleid en andere zaken. Zij kunnen beleidsplannen opgesteld door leerkrachten beoordelen en adviseren op basis van hun persoonlijke deskundigheden en maatschappelijke vereisten. Een schoolbestuur moet echter niet inhoudelijk onderwijsbeleid gaan ontwikkelen. Dat is het domein van de leerkrachten.
Vanuit een dergelijke taakopvatting heb ik zelf ook enige jaren in het bestuur gezeten o.a. als penningmeester van de Vrije School de Regenboog, een basisschool in Eindhoven-Zuid.
Dus er hoeft geen moeilijke en feitelijk onrechtmatige convenant afgesloten te worden waarbij bestuursleden formeel afstand doen van hun wettelijke bevoegdheid en deze delegeren naar de beleidsgroep, zoals in het verleden wel is gebeurd. Vertrouwen is een grote deugd, die echter actief en regelmatig 'verdiend' moet worden door het midden te houden tussen blind vertrouwen en wantrouwen. Het is als een evenwichtsbalk die voortdurend manoeuvreren vereist. Openheid en transparantie zijn daarbij de sleutelwoorden.
Hoe zit het dan met inspraak en medezeggenschap van ouders en leerkrachten via een schoolmedezeggenschapsorgaan of ouderraad?
Ook hiertegen hebben veel vrije scholen in het verleden krampachtig stelling genomen en zich verzet of op zijn minst een ontmoedigingsbeleid gevoerd als het ging om het instellen van een medezeggenschapsraad voor leerlingen, ouders en leerkrachten. Ook dit is naar mijn mening onterecht.
Door de wet is voorgeschreven dat scholen de mogelijkheid van een medezeggenschapsraad moeten creëren en actief stimuleren en steunen.
Het heeft geen zin vanuit een beperkte visie op lerarenzelfbestuur deze ontwikkeling tegen te houden en ouders, leerlingen aan de zijlijn te laten staan. Integendeel overleg en advisering kunnen heel vruchtbaar zijn en het draagvlak bieden voor een goed beleid en vertrouwensbasis voor ouders en leerlingen. Hier spreek ik uit eigen ervaring aangezien ik ruim zes jaar lid en voorzitter van de school-(deel)gemeenschapsraad ben geweest van het Novaliscollege (een Vrije schoolgemeenschap VMBO-t, HAVO en VWO in Eindhoven). Werkelijke inspraak en letterlijk meepraten is nog veel belangrijker dan meebeslissen. Het adviesrecht is belangrijker dan het instemmingsrecht. Het bewaken van zorgvuldigheid en procedures is een heel belangrijke taak los van de feitelijke instemming. Dat laatste is slechts een stok achter de hand voor zeer belangrijke kwesties, waarvan je eigenlijk hoopt dat ze nooit gebruikt hoeven te worden. Preventief informeren is belangrijker dan achteraf toetsen.
Wat betekent lerarenbestuur nu in praktijk?
Moeten alle leraren meebesluiten bij beleidsmatige en organisatorische vraagstukken en plannen? De gruwel van iedere organisatie waarbij het idee van consensus en draagvlak tot in het extreme wordt uitgevoerd?
Natuurlijk niet. Er mag best een 'primus inter paris' (de eerste onder gelijken) zijn die aanspreekpunt is en tijdelijk de eindverantwoordelijkheid heeft voor bestuurlijke, personele en organisatorische problemen. Tijdelijk moet de macht gecentraliseerd zijn bij één persoon, de mandataris. Die daarvoor de steun heeft gekregen van het hele team via verkiezingen en benoemingen om gedurende een periode van een jaar of twee jaar de functie of taak naar behoren uit te voeren. Voor iedere speciale taak of rol dient iemand gekozen en benoemd te worden omdat hij/zij daarvoor het meest getalenteerd of geschikt voor is, maar uiteraard tijdelijk en niet voor onbepaalde tijd.
Denk daarmee aan leden van de aannamecommissie, personeelsgroep, bestuursraad, beleids-(voorbereidings) groep, dagelijkse leiding, middenbouw of bovenbouwcoördinator. Deze mensen willen het vertrouwen hebben van collega’s om te kunnen werken maar moeten ook verantwoording afleggen en wordt de benoemingstermijn gelimiteerd. Zoals ook in besturen van Stichtingen en Verenigingen dit heel normaal en vanzelfsprekend is. Ook bij de overheid in regering en parlement. Ook in de Universitaire wereld kenden we dit principe met een hoogleraar die tijdelijk de functie van rector magnificus uitoefent. Uiteraard altijd maar tijdelijk om op langere termijn machtsmisbruik te voorkomen en dat steeds weer het lerarencollege de regie, eindverantwoordelijkheid en bevoegdheid heeft. Dat is de essentie van een mandatenorganisatie als een concrete uitwerking van het ideële principe van Lerarenzelfbestuur.
Het feit dat er zoveel literatuur over is geschreven en er verschillende visies bestaan op de concrete uitwerking of invulling van deze concepten van lerarenzelfbestuur en mandatenorganisatie zal misschien voor onduidelijkheid en verschillende interpretaties zorgen, maar het mag echter niet zo Zijn dat deze principes opeens van tafel geveegd worden. Natuurlijk is het complex en ingewikkeld om een eigen werkbare vorm te ontwikkelen maar het mag niet zo zijn dat we uit gemakzucht deze belangrijke ideeën overboord zetten. Hoe geloofwaardig is een vrije school nog als de steeds meer delen van het mens-, wereld-, maatschappij- en/of organisatiebeeld schrappen omdat ons dat beter uitkomt??
Dat wordt in de hand gewerkt omdat er een voortdurende machtsconcentratie is opgetreden in scholenland. Van de 14 Bovenbouwen in Nederland zijn er een aantal overkoepelende juridische constructies gemaakt zodat er nog maar een handvol zijn waar en beperkte groep van mensen al jaren de dienst uitmaken. Ook bij het vrije school basisonderwijs (ongeveer 70 in Nederland) treedt die conglomeraatvorming op; zo bestaat er een stichting Pallas die 12 vrije scholen in Zuid Oost Nederland omvat. Daarmee verdwijnt ook een noodzakelijke eigen vrije ontwikkeling en diversiteit in organiseren en besturen. Machtsconcentratie en gelijkvormigheid zijn onmiskenbaar het gevolg. De huidige machtshebbers (directies en besturen) hebben er rechtstreeks zelf belang bij om aan het stuur te blijven en dus deze ideeën van lerarenzelfbestuur af te serveren. Het is echter de moed en de wil van de gezamenlijke leerkrachten (en ouders) nodig om dit tij te keren!!
De parlementaire democratie is ook ontstaan omdat de macht van de alleenheerser of machthebber (president of koning) opgeëist is door het volk.
Laat je niets wijsmaken. Om in termen van Ferd Koolwijk te spreken. Zonder zelfbestuur en een mandatenorganisatie hebben Ahriman en Lucifer nog meer vrij spel! Ferd heeft ook weleens tijdens een algemene vergadering van de (toen nog) Bond van Vrije Scholen geopperd dat vergaderingen de grootste tijdsverspilling waren in organisaties.
Helaas ben ik ook dat niet met hem eens. Wat is het alternatief: geen overleg meer, geen onderonsjes? Ieder op zijn eigen eiland? Kennen we de gevleugelde bijbeluitspraak niet meer: 'Wanneer twee of meer uit mijn naam samen zijn dan ben ik in Uw midden' . Laat dat de oefenweg van Christus zijn.